MINDBLOWERS: Sukina Talks Resistance

Toen ik jong was, wou ik de wereld veranderen. Ik wou letterlijk de wereld veranderen, en ik voelde dat muziek mijn instrument, mijn wapen en mijn kans was om verandering teweeg te brengen.

Naarmate ik ouder werd, ontdekte ik dat ‘de wereld’ minder een plaats is en meer een perspectief, een uitgangspunt, een ervaring en een concept, dat we zelf construeren en beleven: een ‘wereld’ is, naar mijn mening, persoonlijk. Sommige onderdelen van de wereld worden ons opgelegd, maar hoe we de wereld ervaren is van onszelf afhankelijk. We kunnen allemaal in dezelfde stad wonen, maar toch zijn onze werelden helemaal verschillend: vrouwen die op straathoeken werken, daklozen, vluchtelingen, expats, migranten en ouderen dragen allemaal bij aan de identiteit van deze stad. Zij maken de stad, maar hun werelden verschillen gigantisch. De manier waarop we zijn opgevoed, hoe we denken, wat we hebben meegemaakt, en de manier waarop we onze levens leiden: dat alles is onze wereld. 

Ik begon te begrijpen dat iemands perspectief veranderen gelijk is aan hun wereldbeeld veranderen, en dat hun wereldbeeld veranderen de kracht kan hebben om hun wereld te veranderen – of toch dat de kiem voor verandering daar gezaaid wordt. 

In juni 2005 las ik de autobiografie van Malcolm X, een invloedrijke maar controversiële zwarte activist voor de rechten van onderdrukte Afro-Amerikanen. In die tijd volgde ik een cursus Zwart Radicalisme aan de universiteit. Hoewel ik al eerder bekend was met zijn levensverhaal, resoneerde op dat moment zijn relaas over zijn reis naar Mekka en zijn bekering naar de Islam voor mij op een bijzonder intens niveau. Ik was helemaal niet op zoek naar religie, ik was al vrij spiritueel en tevreden met het leven dat ik leidde, maar ik kon het gevoel dat ik had niet van mij afschudden. Ik volgde mijn hart en reciteerde een eed, een sleutel die de deuren van de Islam voor me opengooide.

Ik was vanaf dat moment een moslima, en koos ervoor een code van bescheidenheid in acht te nemen, inclusief het dragen van een hoofddoek, niet omdat ik dat moest maar omdat ik dat wou; omdat het goed voor me aanvoelde, me deed denken aan de kledingstijl van de Rastafari-cultuur waarin ik was opgegroeid, en leek op de klederdracht van de vrouwen in mijn familie. Drie weken later gebeurden de bomaanslagen in Londen van 7 juli 2005, en mijn wereld veranderde in één klap.

Ik veranderde van de ene dag op de andere van het coole, eigenzinnige, kunstige zwarte meisje met lange dreadlocks naar een eeuwige verdachte. Mensen zochten niet langer oogcontact en lachten niet meer naar me op straat – ik was opvallend onzichtbaar. Ik werd behandeld als een nobody. Ik bewandelde dezelfde straten, nam dezelfde route naar mijn werk, woonde in dezelfde stad, maar mijn wereld was veranderd. Dag in dag uit kwam de Islam negatief in het nieuws, wat angst zaaide in de harten van de mensen in mijn stad. Een vrouw met een hoofddoek was een visuele representatie van hun angsten. Plots was ik niet meer zoals mijn mede-Londenaren: ik was anders, vreemd, uitheems, ik was de vijand in hun midden.

Als kind had ik nooit echt racisme ondervonden. Kleine micro-agressies hier en daar, maar niets wereldschokkends. Als dochter van Jamaicaanse immigranten was ik opgevoed met een sterk zelfbewustzijn, een duidelijk identiteitsgevoel van wat het betekende om een jonge zwarte vrouw te zijn in Europa. Maar na mijn bekering tot de Islam begon ik aan den lijve te ondervinden wat mijn ouders een hele generatie voor mij hadden meegemaakt. Mensen begonnen beledigingen naar mijn hoofd te slingeren op straat: “Vrouwen van Bin Laden”, “Keer terug naar je eigen land, fucking Taliban-klootzakken”. Iemand wierp een brandende sigaret naar me uit een autoraam, maakte opmerkingen over de vodden op mijn hoofd, gooide voedsel naar me vanuit een rijdende wagen, er werd brandgesticht in mijn huis. De politie bevestigde dat de brand aangestoken was, en mijn buurman zei het niet luidop, maar in zijn ogen kon ik zien dat hij zijn moslimbuurvrouw er de schuld van gaf dat zijn huis ook beschadigd was. De stad die mij tot mij had gemaakt, werd nu dezelfde stad die me zoveel kansen ontnam. De wereld was in verandering. 

Laat ik nu een nieuw element introduceren in mijn verhaal: hiphop. Als zestienjarige werd ik verliefd op hiphop. Ik heb het over het soort hiphop dat me heeft bijgeleerd, geïnspireerd, gesterkt en verwonderd. Ik heb het over getto-profeten, arme, rechtvaardige leraren, zij die hun woorden gebruikten om een CNN voor gemarginaliseerde zwarten te zijn – zij waren de stem van ons volk, en zij gaven vorm aan de verhalen die we over onszelf vertelden. Ik heb het over het soort hiphop waarbij mensen de hele nacht lang beats draaien, rappen en improviseren, ondergedompeld in de beat, verliefd op de kunstvorm en vol genot in de kracht die onze woorden hadden om de realiteit vorm te geven. Dat is het soort hiphop dat ik kende en waar ik verliefd op werd. Hiphop heeft me gemaakt tot de vrouw die ik vandaag ben, heeft me zelfvertrouwen en kracht gegeven, heeft me het vermogen gegeven om woorden leven in te blazen.

Weinig dingen in het leven zijn zo bekrachtigend als de enige vrouw zijn in een ruimte vol grote, zweterige jonge mannen, barstend van de testosteron, allemaal hongerig naar hun moment achter de microfoon, en jij die jezelf een weg naar voor baant, voor de eerste keer de microfoon grijpt, en je zestien maten (ongeveer één minuut) gebruikt om jouw realiteit te verkondigen op de beat, en in mijn geval om de rapper voor mij uit te dagen omdat hij zich neerbuigend had uitgesproken over vrouwen. De kracht die ik had opgedaan als dochter van de hiphop verliet mij niet toen ik moslima werd, noch mijn vurig verlangen om mijn dromen de ether in te sturen door een microfoon.

Ik had een groep gevormd, Poetic Pilgrimage genaamd, met mijn beste vriendin, voor we ons allebei tot de Islam bekeerden. We maakten hiphop en schreven spoken word-poëzie omdat we wel moesten; omdat het een deel was van onze visie en ons levensdoel; omdat onszelf niet kunnen uitdrukken net zo was als niet kunnen ademen; omdat onze harten soms overliepen met verzen, en we niet anders konden dan die te delen. Hiphop was voor ons nooit een commercieel concept, we dachten helemaal niet na vanuit een zakelijk perspectief – het enige wat we wisten is dat we dit gewoon moesten doen. 

En we hadden al helemaal niet nagedacht over de consequenties en de negatieve reacties die zouden volgen op twee moslima’s met hoofddoeken die hiphop gebruiken om hun waarheid te verkondigen. De moslimgemeenschap in Groot-Brittannië kregen een stevige schok toen wij ten tonele verschenen! Onze ervaring was als de twee vleugels van een vogel; de ene vleugel hield van ons, hield van onze stemmen, onze aanwezigheid en onze boodschap. Veel moslima’s voelden zich door ons gerepresenteerd, en de moslimjeugd voelde zich bevestigd in haar bestaan. In de nasleep van de aanslagen van 7 juli, met de blikken van regering en media gefixeerd op de moslimgemeenschap, boden wij de mogelijkheid een ander beeld van Britse moslims te presenteren: we waren jong, vrouwelijk, Jamaicaans, ‘urban’, we leken wel één groot multicultureel buffet. We werden over het hele land uitgenodigd, en in veel gevallen waren we de eerste vrouwen die optraden op die platformen.

Maar er was ook de andere, negatieve vleugel. De meer conservatieve, fundamentalistische leden van de gemeenschap verafschuwden onze kunst, zagen de mix van Islam en hiphop als heiligschennis en een belediging van de religie en de cultuur, en als een besmetting voor de jeugd. We werden gezien als immoreel, onbescheiden (ondanks de hoofddoek) en afwijkend. Er werd over ons geschreven online en gesproken op de Islamitische tv. We werden aanzien als een probleem: de muziek van de ongelovigen combineren met een Islamitische context was onaanvaardbaar. Tijdens onze optredens riepen mensen ‘Haraam’, wat in het Arabisch ‘verboden’ betekent; mannen liepen uit de zaal weg. Promotoren werd gevraagd ons niet uit te nodigen, of ons zittend in een stoel te laten optreden, of achter een gordijn.

Met onze groeiende populariteit kwamen ook de doodsbedreigingen, het online misbruik en de privéberichten die ons waarschuwden dat we een eeuwigheid in de hel zouden doorbrengen als we er niet mee ophielden. Mijn wereld was opnieuw in verandering. De wereld van muziek en optredens, zo een groot deel van mijn leven, was in beroering, en voelde zwaar. Maar we hielden niet op, we gingen door ondanks de pijn, de afwijzing en de tranen. Toen ik het Verenigd Koninkrijk verliet om voor het eerst in de VS op te treden, besefte ik hoe zwaar de last van wat we in het VK meemaakten op mij woog. Ik was mij acuut bewust van hoe die last mijn kunst en mijn zelfvertrouwen als performer beïnvloedde. Ik voelde een compleet gebrek aan vrijheid in de kunst, en zag hoezeer ik mijzelf censureerde. Het was erg emotioneel om dat alles in te zien, maar het probleem benoemen is de eerste stap. De volgende stap is verandering.

Dus toen ik het thema ‘verzet’ ontdekte in mijn kunst, bedacht ik dat verzet voor mij bestaat uit gewoon opdagen, verdergaan met performen ondanks alle afwijzing en vijandigheid, ondanks de angst dat je zult moeten optreden voor muziekliefhebbers die moslims haten of moslims die muziek haten, of mensen die je simpelweg haten zonder dat ze je kennen. Optreden ondanks de paniekaanvallen, de angst voor de hatelijke commentaren op het internet en de vrees voor afkeuring. 

Verzet is voor mij een wereld creëren vol zelfgeloof, zelfstandigheid en doelgerichtheid in onze kunst, zo sterk dat die wereld onverzettelijk is, sterker dan onszelf. Sommigen noemden ons arrogant. Misschien dachten ze dat we ons illusies maakten met ons zelfvertrouwen, maar achteraf gezien weet ik dat we het zonder dat vertrouwen al jaren geleden hadden opgegeven, net zoals vele anderen in onze geloofsgemeenschap die de kritiek, de afkeuring en de isolatie niet aankonden. We bevonden ons tussen twee werelden, op een dunne grens tussen twee realiteiten: de wereld van muziek, kunst en creativiteit, en de wereld van ons nieuwe geloof, onze toewijding en onze spiritualiteit – en we moesten wel een balans vinden.

We ontwikkelden dus een stalen middenvinger, opgestoken naar alle haters die probeerden ons het zwijgen op te leggen, en timmerden aan onze eigen weg in de creatieve industrie. We organiseerden onze eigen evenementen, richtten onze eigen podia op, brachten onafhankelijk cd’s uit, en bouwden daarmee een sterke fanbasis op. Onze wereld was in verandering, dus moesten we zelf de drijvers van verandering worden, of verdrinken. We veranderden onze eigen wereld, en de wereld rondom ons begon mee te veranderen: de dingen die ons anders maakten, maakten ons nu uniek, interessant en verfrissend. We waren niet langer raar, we waren niche; niet langer een kunststuk, maar geloofwaardige artiesten. 

Verzet gaat voor mij niet om een gevecht: verzet gaat om verandering. Ik weet dat wij, als Poetic Pilgrimage, de wereld van velen veranderd hebben, omdat we hun ideeën en stereotypes rond moslimvrouwen en moslims in het algemeen hebben uitgedaagd. Voor de meeste mensen zijn wij de eerste Jamaicaanse moslims die ze ooit ontmoeten. Voor sommigen is het verwarrend; voor de meesten confronterend, maar ook een echte kans als ze ervoor kiezen naar zichzelf te kijken en hun eigen vooroordelen te bevragen. 

De eerste keer dat we in het buitenland optraden was in Noorwegen, voor de Week van de Afrikaanse Geschiedenis. We waren doodsbang, maar we deden het goed en werden positief ontvangen. Er was een bekende Afro-Peruviaanse zangeres aanwezig, die de organisator vertelde dat ze hat gehuild toen we op het podium stonden; ze begreep niet wat we zeiden, maar ze vond het prachtig, en had beseft dat ze zo veel negatieve vooroordelen meedroeg rond moslima’s. Onze performance had haar dat doen inzien. Dat is voor een deel waar kunst om draait: mensen confronteren, uitdagen, gevoelens bij hen opwekken, en hopelijk maken dat ze hun wereld veranderen. 

In conclusie: verzet is mijn kunst, en mijn beoefening is opdagen als de meest authentieke versie van mezelf, durven mijn creatieve missie te vervullen met passie en doelgerichtheid. Verzet is aanwezig zijn op plaatsen waar ik niet verwacht word en stevig staan zelfs wanneer de weg vol obstakels lijkt. Verzet is weten dat wat mij anders maakt ook is wat mij betekenis geeft, en dat het helemaal geen schande is om ‘het alternatief’ te zijn. Verzet is het vuur dat mijn kunst tot leven brengt, en dat mij de moed inblaast om nooit op te geven.