Longread / Lisbeth Gruwez & Josse De Pauw: De pitbull en het dansend hoofd

Nooit eerder kruisten de paden van choreografe en danseres Lisbeth Gruwez en theatermaker Josse De Pauw elkaar. Maar ze hebben elkaar wel al bewonderd vanuit de duisternis van de theaterzaal. Volgend jaar staan ze allebei met hun werk in KVS: de vrouw van het lichaam en de man van het woord. Stof genoeg voor een eerste gesprek:

JDP: Het was lang geleden dat een voorstelling mij nog eens zo had geraakt als jouw It’s going to get worse and worse and worse, my friend.  De concentratie waarmee alles gebeurt, is mij heel lief. Ik kijk heel graag naar geconcentreerde mensen. Tijdens de atletieknummers op de Olympische Spelen vergeet ik elke uitslag, maar ik kijk graag naar al die verschillende vormen van concentratie op dat veld. In het theater mag je daar live naar kijken en dat vind ik een privilege.

LG: Ik ben niet radicaal om radicaal te zijn, maar ik zal niet afwijken van de ingrediënten die op tafel liggen. Ik bijt er me als een pitbull in vast, ik haal eruit wat erin zit.

Nu ben ik voor We’re pretty fuckin’ far from okay al vijf weken bezig met de bewegingen uit de film The Birds van Hitchcock. Ik bestudeer ze tot in de details, en zo wordt dat op den duur een taal die ik spreek. Ik wil komen tot een soort ratrace van twee mensen die bang zijn en vanalles op hen zien afkomen dat ze maar steeds proberen te ontwijken, terwijl er eigenlijk niets is.

MB: We’re pretty fuckin’ far from okay past in je triptiek over het extatische lichaam. Het is een studie van de angst, zoals It’s going… er een van het lichaam in trance was en AH/HA van het lachende lichaam. Jij observeert en bestudeert het lichaam voortdurend.

LG: Lichaamstaal observeren is leuk. Ik vind bewegingen die mensen herkennen eigenlijk ook interessanter dan de virtuoze. Door ze je eigen te maken, te intensifiëren en te herhalen krijgen ze een zekere abstractie, maar het wordt geen alienated dance waar je naar kijkt als naar een circus of een turnwedstrijd. Het interessante aan dans is niet wat je doet, maar hoe je het doet.

MB: Jij hebt ook altijd wel affiniteit met dans gehad.

JPD: Dat wijt ik aan het feit dat mijn ouders echte balgangers waren. Zij gingen elke week dansen. Dat was heilig. Voor ze vertrokken werd thuis nog een half uur de tafel opzij geschoven. Na zijn werk kocht pa in Maison Bleu in de Nieuwstraat singeltjes en die werden dan op de pick-up gelegd - tien singeltjes van drie minuten. En wij kinderen leerden op hun voeten dansen. Ik heb de foxtrot op de voeten van ons moeder geleerd. En veel plezier gehad. Ik heb er het besef aan over gehouden dat dans een taal is die veel meer met gevoel en ritme te maken heeft dan met betekenis. Samen met muziek biedt dans nog altijd een mooie compensatie voor iemand die later woordmens is geworden.

LG: Toen ik jou zag in An Old Monk, werd het bevestigd dat je een dansend hoofd hebt. Mijn vorige voorstelling vertrok trouwens ook van dat idee: het ritueel van plaatjes op te leggen voor mekaar. Maarten (Van Cauwenberghe, muzikant, componist en vaste compagnon van Gruwez bij hun beider gezelschap Voetvolk, red.) legt plaatjes op van Bob Dylan en daar dans ik op. Mensen doen dat bijna niet meer. We luisteren allemaal alleen, via de computer.

MB: Behalve in je eigen voorstelling ben je dit seizoen ook in KVS te zien in Odysseus. Een zwerver komt thuis van Michael De Cock. Als enige vrouw naast 24 oorlogshelden.

LG: Veel kan ik daar nu nog niet over zeggen. Het is de bedoeling dat ik de vrouwen in de Odyssee vertegenwoordig - waaronder ook de wachtende Penelope - en een antwoord dans op al dat mannelijke verbale geweld. Misschien doe ik iets met de video’s die Lili Dujourie eens gemaakt heeft in hotelkamers waar ze op bed ligt in poses die verwijzen naar poses van vrouwen op schilderijen. Misschien kan ik die beelden laten bewegen en aaneen koppelen tot een langgerekte sliert kunstgeschiedenis.

MB: In het programma 2016-17 zijn al dan niet toevallig een aantal voorstellingen te vinden die te maken hebben met helden of heldendom. En het meest expliciet komt dat thema aan bod in jouw monoloog De Helden.

JDP: Ik schrijf die tekst voor mezelf en zal op de scène staan met Brecht Beuselinck, mijn vaste technicus bij LOD die ook een geschoolde muzikant is. Dominique Pauwels schrijft muziekmodules en soundscapes. Ik zal mijn tekst misschien ook in modules schrijven die ik nog in andere volgordes kan zetten , zodat ik samen met Brecht kan improviseren. Ik heb ook aan historica Sophie de Schaepdrijver gevraagd mij te voeden met materiaal over de Eerste Wereldoorlog, de laatste oorlog waar men nog echt man aan man stond en het zogenaamde heldendom een belangrijke rol speelde.

Het zal allemaal draaien om de vraag wat dat precies is, een held. Hoe zit dat in de fractie van een seconde waarin iemand beslist in het water te springen om iemand te redden? Ik heb me al heel mijn leven afgevraagd of ik dat zou doen, en ik hoop nog altijd dat dat probleem zich nooit zal stellen. Ik heb Dominique gevraagd voor dat moment muziek te schrijven. Dat is voor mij het muzikale thema van de voorstelling. Een beetje om mijzelf in bescherming te nemen denk ik dan maar dat de held in die fractie van een seconde niet meer nadenkt, maar dat zijn lijf een beslissing neemt. Volgens wat ik erover lees kom je op dat moment ook heel dicht bij genetica. Het zou wel eens kunnen zijn dat sommige mensen meer genetisch bepaald zijn om in dat water te springen dan anderen. Moeten we dat dan nog moed noemen?

Maar het kan evengoed gaan over de jongens die zich laten ontploffen om een held te worden. Of over de held in de oude Japanse cultuur die na zijn heldendaad werd geacht zijn witte kimono aan te trekken, zijn zwaard met sake te wassen en zich in het water te werpen. Pas als de laatste rimpel op het wateroppervlak dan verdwenen was, was alles weer goed. De held moest verdwijnen omdat het collectief niet in staat was om met uitzonderingen te leven, terwijl het in uitzonderlijke situaties wel nood had aan een held. De samoerai werden daartoe opgeleid, en de ridders bij ons ook een beetje.

Het gaat ook over het woord zelf en in hoeverre we blijkbaar nood hebben aan allerlei helden. Misschien om hen op een bepaald moment ook te kunnen neerhalen. Een held weet trouwens ook niet altijd dat hij een held is. Er zijn mensen waarvan we nu zeggen dat ze heldengedrag vertoonden maar die van zichzelf vonden dat ze alleen maar hebben gedaan wat ze vonden dat ze moesten doen, of wat ze gewoon waren te doen.

MB: Behalve over De Helden heb je het later in KVS ook nog over De Mensheid.

JDP: De Mensheid baseer ik op het pamflet van Arnon Grunberg, De mensheid zij geprezen, dat neerkomt op een verdedigingsrede voor de mensheid, die in de kunsten altijd wordt aangevallen en weggezet als een bende lafaards en zeikerds. Maar in die verdedigingsrede doet Grunberg eigenlijk hetzelfde als wat hij de andere kunstenaars verwijt. Hij zegt ook dat de mensen lafaards en klootzakken zijn, maar dat ze niet anders kunnen. Wat ik wil doen is Grunberg op zijn beurt aanklagen. Ik ga  hem in een plexiglazen kooi op de scène zetten en hem zijn eigen tekst als bewijsmateriaal voorleggen, terwijl hij met een micro kan tussenkomen om zijn tekst te verdedigen. Daarnaast staat ook sopraan Claron McFadden op het podium, met a capella zang die hopelijk op bepaalde momenten zal versmelten met de tekst.

 

Lisbeth en Josse werden geïnterviewd door Michaël Bellon.