Michael De Cock vertelt

Toen u mij de eerste keer chéri noemde, liep er een rilling over mijn rug. Het was geen koosnaam, mij toegeworpen vanuit de verte, maar een woord dat, enkel voor mijn oren bestemd, door de koude Brusselse winterlucht sneed. U heeft het een paar dagen na elkaar herhaald. En evenveel keer heeft u mij kunnen doen geloven dat het woord voor mij en niet voor alle mannen van deze stad bedoeld was. En iedere keer wist ik met mijn blik geen blijf, zochten mijn ogen de tegels van de stoep. Hoe kwetsbaar u ook bent, in de straat bent u het sterkst. Dat lijdt geen twijfel. Een vrouwelijke collega vertelde me met een glimlach dat vast enkel in deze paar straten van de stad mannen ook prooi en niet alleen jager zijn. 

Bij het café op de hoek van de straat, daar kruisen meestal onze wegen. U zie ik nooit bij de statige gevel van het theater onder het portaal, zoals sommige van uw collega’s, maar in het smalle straatje tussen KVS en Théâtre National, op de Jacqmainlaan. U dwaalt er rond op dat anonieme stukje niemandsland, in de luwte van de grote boulevard. Een vreemd stukje stad. Met een tuintje en een piano op de straat als tekenen van even hoopvolle als naïeve stedelijkheid. Voelt u zich hier thuis? Vele mensen haten deze stad, velen die haar kennen, houden van haar.
Ik behoor zonder enige twijfel tot de tweede categorie. Gerardo Salinas, stadsdramaturg aan dit huis, opgegroeid in Buenos Aires, legde me uit dat je organische steden en geregisseerde steden hebt. Brussel is duidelijk een voorbeeld van het eerste. Al heeft het ook zijn nadelen, die weelderige, vrijelijke wildgroei. Lelijkheid en vulgariteit, om maar iets te zeggen. En net zoals het onkies is te dwepen met onwetenheid, is het onkies te dwepen met onbestuurbaarheid.
 
We gaan met het theater de stad in. En we halen de stad naar het theater. Dat wilde ik u graag vertellen, ook al hebt u daar, langs de straat, vast geen boodschap aan. U bent het eerste stukje stad dat mij tegemoet wandelt. Wanneer ik de deuren van het theater opengooi, dan zie ik u. Of soms, zo nu en dan, zit ik in een café in de buurt na een repetitie naast een van uw collega’s die even verpozing zoeken en bijpraten over alles en niets. U bent op een bepaalde manier een symbolisch stukje stad. Symbool van lust en vereenzaming. Intimiteit en anonimiteit. U staat niet bovenaan de maatschappelijke ladder. Wie u bezoekt evenmin. Ik durf weleens te geloven dat het, diep vanbinnen, meer eenzaamheid dan drift is dat hen drijft. Of vergis ik mij daarin? Anoniemer dan bij u kan je in de grootstad vast niet zijn. Maar laat ons de aanwezigheid van u en uw collega’s in het straatbeeld ook niet te romantisch voorstellen. Het is hard daarbuiten. “En welk beeld schept het voor de nu al verloren gewaande jongeren van de grootstad, meneer”, vroeg iemand mij niet zo lang geleden? 

Soms word ik overvallen door een immense droefenis. Dat had ik als kind al. Het is geen gedachte, het kent geen oorzaak, het is een golf die mij overspoelt. Heeft u dat ook? De angst heeft met iets dieps en fundamenteels te maken. Maar soms word ik ook door lichtheid bevangen. Laatst ging ik naar het voetbal kijken van mijn dochter. Ze speelde tegen een ploeg waarin Stacey en Chelsea speelden. Ik kan u niet uitleggen waarom dat mij met vreugde vervulde. Alsof tijd en ruimte niet meer ongrijpbaar en eindeloos leken, maar samenvielen in één moment. En mijn zoon van zeven wil uitvinder worden. Dat zegt hij nu al lang. Raketschoenen, of luchtschoenen. Schoenen waarmee je kunt vliegen dus, en heel snel verdwijnen. Waar komen zulke kinderdromen vandaan? En wanneer gaan ze verloren? Waar droomde u van in uw kindertijd? Heeft u kinderen? En krijgt u dat geregeld met uw werk? Mocht u dat willen, dan kunnen we eens afspreken om te praten, bv. bij een lunch. Zelf ben ik er niet zo’n fan van maar in mijn sector doet men niets lievers dan lunchen en vergaderen. U kan ook antwoorden met een brief, als u dat beter schikt. Brieven schrijven, het is een traditie die naar mijn bescheiden mening jammerlijk in onbruik is geraakt. Maar u kan me ook gewoon een woord toewerpen, in de ondergaande lentezon.

 

Michael De Cock

Artistiek directeur

 

Brussels